Van: Wim

In maart 20004 moedigde een vriend mij aan om te gaan trainen voor de halve marathon in oktober. Ik had weliswaar nooit langere afstanden hardgelopen, maar op mijn zestigste moest dat nog kunnen. Dan zou ik tevens een kilootje of tien afvallen. "En als 't nou niet lukt, lukt 't misschien nooit meer!" voegde hij er nog aan toe.

De training deed ik op goed geluk en de tijd vond ik nogal kort, maar het ging nog slechter dan verwacht. Na een paar maanden liep ik eens mee in een 7 km wedloop, in 53 minuten - afschuwelijk. Daarna ging ik naar de huisarts; ik had de nacht voor de wedloop geen oog dicht gedaan, al maanden sliep ik slecht, ik voelde me vaak depressief, en mijn hartslag was veel te hoog, 95 per minuut in rust..

"Nee, 70 slagen per minuut; heel normaal", zei de dokter. Mijn hartkloppingen schenen niks bijzonders. Wel vermoedde hij suiker, dus stuurde hij mij naar het Medisch Diagnostisch Centrum voor een bloedprik en voor de zekerheid ook een hartfilmpje (een cardiogram). Een paar weken later wees de uitslag uit: niks aan de aan de hand.

Zo was ik automatisch op de lijst gekomen voor een jaarlijkse bloedprik - dat hartfilmpje vond men niet meer nodig - en een paar jaar bleef het sein vrolijk op groen. Toen opeens oranje; het cholesterolgehalte bleek aan de hoge kant. Al die tijd had ik te weinig beweging gehad - ik was te druk met een cursus - en zo was ik me geleidelijk nog slechter gaan voelen. Die laatste waarschuwing nam ik echter ter harte; ik sloot me aan bij een gezellig wandelclubje - de veteranen van een atletiekvereniging - mijn gewicht verminderde, het woord marathon viel wel eens, en nu ben ik weer aan 't trainen, fijn in verenigingsverband, en nergens last meer van.

Behalve een pleidooi voor een gezonde levenswijze is het ook een vreemd verhaal, want waarom was die huisarts blind voor allerlei aanwijzingen die duidden op een allergie? In een periode daarvoor had ik nog gerookt, (toen kreeg ik genoeg tegengif binnen om geen last te krijgen), mijn leeftijd moest hem iets zeggen (ouderen zijn gevoeliger), en wat te denken van die slapeloosheid en die hartkloppingen?

Dat smaakversterkers mij parten speelden, lijkt me aannemelijk. Ik maakte het me in die tijd veel te gemakkelijk met soepen en bouillonblokjes. Ik ben opmerkzaam gemaakt op smaakversterkers doordat ik me een keer ergerde aan aspartaam. Ik keek op internet en kwam nog veel meer tegen.

Overigens is mijn achting voor de medische wereld door deze gang van zaken er niet op vooruitgegaan. "Nee, zo zwaar ben je echt niet. Je hoeft niet af te vallen. Modder nog maar een paar jaar door. Dan kunnen we ook medicijnen aan je kwijt!" In zo'n zelfde wereldje kunnen ook smaakversterkers goed floreren. Vroeger hoorde ik nog wel eens schampere opmerkingen over ons voedsel: de dagelijkse prak, de Phili-prak, of de camouflagenetten (andijvie in het leger), maar nu we additieven hebben als in veevoer, zwijgt iedereen, wij eten maar door, het smaakt best.

Geschrokken ben ik van het feit dat de FDA (Food & Drug Admistration) zo gemakkelijk goedkeuring aan die troep gaf, en dat ik steeds meer dementen om me heen zie.